De Haes, Gualthérie, Van Weezel, Sanderman en Van der Wiel:
"Psychologische patiëntenzorg in de oncologie, handboek
voor de professional"
Dit boek constateert
dat de psychosociale oncologie langzaam maar zeker de kinderschoenen
begint te ontgroeien, maar dat de toestand nog niet rooskleurig
is. Op weinig plaatsen in Nederland wordt op systematische wijze
onderzocht of iemand die kanker krijgt hulp nodig heeft, en op weinig
plaatsen wordt die psychologische hulp dan ook geboden. Het boek
omschrijft wat het vakgebied psychosociale oncologie inhoudt, zodat
dit zich verder kan ontwikkelen. Tevens is het een naslagwerk voor
psychologische hulpverleners die in hun dagelijkse werk niet uitsluitend
op oncologie gericht zijn en geeft het voorbeelden van hulpverlening
die al ontwikkeld zijn.
In het eerste hoofdstuk stellen de schrijvers
dat de gebruikelijke risicofactoren voor kanker, zoals erfelijkheid,
leefgewoonten en leefomstandigheden, niet in staat zijn om het ontstaan
van kanker volledig te verklaren. De meeste bevindingen in onderzoeken
die hier ondersteuning voor lijken te leveren, zijn echter afkomstig
uit onderzoeken met een niet-toereikende onderzoeksopzet.
Volgens het boek komt vermoeidheid bij alle vormen
van kanker voor. Zowel lichamelijke als psychologische factoren
dragen hieraan bij. Mogelijke lichamelijke oorzaken zijn: bloedarmoede,
de aanwezigheid van toxische celafbraakproducten als gevolg van
chemo- of radiotherapie, pijn, slaapstoornissen, infecties, een
ontregelde hormoonhuishouding, een veranderd eetpatroon of medicijngebruik.
Ook het activiteitenpatroon kan een rol spelen (patiënten worden
vaak noodgedwongen minder actief, soms zelfs bedlegerig. Dit kan
een vicieuze cirkel in werking stellen van afnemende mobiliteit,
conditie en een toenemende vermoeidheid). Tot de mogelijke psychologische
factoren horen negatieve emoties, depressiviteit, gevoelens van
moeheid en lusteloosheid. Oorzaak en gevolg zijn hierbij volgens
de schrijvers vaak moeilijk uit elkaar te houden.
In het kader hiervan werd ik getroffen door het
hoofdstuk "Kanker: een essentiële opgave", geschreven
door G. Jonker-Pool. Deze wijst er op dat in de recente uitgave
van DSM IV (APA 94) bij de diagnose Posttraumatische stressstoornis
de uitsluitende zinsnede achterwege is gelaten dat "de stoornis
niet het gevolg is van een somatische aandoening". Bovendien
lijkt PTSS bij mensen met kanker vaker voor te komen dan onder de
algemene bevolking. Ik citeer:
"Aandacht is gegeven aan twee fenomenen
die verbonden zijn met de diagnose kanker
- de mogelijk traumatiserende invloed van diagnose
en behandeling,
- de existentiële grenzen waarvoor men
geplaatst wordt."
Overwogen is hoe deze beide fenomenen een plaats
kunnen hebben in het bestaande stress-appraisal-copingmodel (Lazarus
1984). Hierbij kwam naar voren dat confrontatie met kanker naast
negatieve, ook positieve veranderingen teweeg kan brengen.
De visie op kanker als een psychotraumatische ervaring leidt tot
een bepaald inzicht in het psychisch verwerkingsproces: vanuit een
aanvankelijke chaos en een daarmee samengaande verstoring van het
emotionele evenwicht ontstaat een copingsproces. Dit kenmerkt zich
in eerste instantie door een afwisseling van vermijding versus herbeleving
van de situatie. Het levensbedreigende karakter van kanker betekent
voor allerlei patiënten dat zij zich in dit adaptatieproces
geconfronteerd zien met levensvragen die zij zich eerder (nog) niet
stelden.
Hoewel zij misschien in staat zijn tot redelijke
coping met allerlei aspecten van de ziekte, kan op dieper niveau
onrust of stagnatie bestaan over hun leven tot nu toe, over de zin
en waarde van dingen die zij tot nu toe belangrijk vonden, en over
hoe het verder moet in de toekomst
..Gebrek aan herkenning
van deze basale vragen en daarmee samenhangende cognities kan het
verwerkingsproces doen stagneren. Anderzijds kan het werken aan
deze vragen leiden tot een hernieuwde visie op het eigen leven,
hetgeen doorgaans als een verrijking wordt ervaren. Uit deze waarnemingen
en gedachtegang is het idee ontstaan expliciet de aandacht te richten
op zowel de traumatische effecten van de diagnose, als de daaruit
voortvloeiende existentiële vragen die het hebben van kanker
met zich mee kan brengen. Deze invalshoek kan tevens licht werpen
op de als positief gewaardeerde uitkomsten van de ervaringen rond
kanker. Wellicht kan deze ontwikkeling een bijdrage leveren aan
het doorgaand streven tot een zo passend mogelijke begeleiding van
mensen met kanker".
In dit kader verwijs ik ook naar een artikel
in Medisch Contact van 11 januari 2002 over een onderzoek naar de
behoefte aan geestelijke verzorging bij poliklinische patiënten
die een slechtnieuwsgesprek krijgen (A.C.H. Hanrath en H.J. Veltkamp).
82% van de benaderde patiënten had hier behoefte aan. De gesprekken
gingen bijna steeds over wat de "buitenkant" (diagnose
en behandeling), wakker roept aan de "binnenkant". Zes
onderwerpen keerden steeds terug:
- beleving van gezondheid versus ziekte;
- geschonden lichaam (vooral bij borstkanker);
- de kwetsbaarheid van het leven;
- confrontatie met de eindigheid;
- relaties;
- geloof en religie.
Uitgangspunt voor de begeleiding van de kankerpatiënten
waren de ingrijpende ervaringen die zij te verwerken krijgen. Hoe
daarmee om te gaan, hoe die een plek te geven en vooral: hoe bronnen
voor levensmoed en draagkracht daarvoor aan te boren. Er bleek veel
behoefte om te praten over existentiële vragen binnen levensbeschouwelijke
kaders. Daarbij deed zich een paradoxale ontwikkeling voor: naarmate
men minder binding met een kerk of levensbeschouwelijke genootschap
heeft, neemt de behoefte aan geestelijke verzorging niet af, maar
toe. De schrijvers concluderen dat integrale kwaliteitszorg per
definitie geestelijke verzorging insluit.
Het hoofdstuk van G. Jonker-Pool en het artikel
in Medisch Contact geven m.i. aan waar een taak ligt in de begeleiding
van mensen met kanker, en vooral van mensen die last hebben van
vermoeidheid. Vermoeidheid is immers een bijwerking van stress (al
of niet ontstaan bij het vernemen van de diagnose en het ondergaan
van de behandeling), die optreedt naast de aanslag die de ziekte
al pleegt (of heeft gepleegd) op het lichaam. Alleen al een luisterend
oor zijn kan helend werken voor mensen die geconfronteerd worden
met zo een ingrijpend proces. Een luisterend oor voor alle angst,
verwarring, onzekerheid, niet weten hoe verder, kortom voor de enorme
impasse waarin iemand geraakt is door de ziekte kanker. Een impasse
biedt overigens weer uitzichten op verandering (the paradox of change!)
en kan leiden tot de behoefte om meer jezelf te zijn. En de behoefte
om jezelf te zijn biedt aanknopingspunten tot existentiële
vragen.
Een hypnotherapeut kan daarnaast veel helende
technieken gebruiken. Er zal behoefte zijn aan ontspanningsoefeningen,
ik-versterking en pijnveranderingstechnieken. Tussendoor kan, als
het draagvlak van de cliënt groot genoeg is, begonnen worden
met technieken als implosieve desensitisatie, werken met delen,
onderzoeken van overtuigingen d.m.v. regressie, losmakingsrituelen
e.d. Ik verwacht echter ook veel van het werken met kerntransformatie
en EMDR, omdat juist deze twee technieken aanleiding kunnen geven
tot levensbeschouwelijke en existentiële gesprekken.
Zowel de patiënt als de partner worden beïnvloed
door de emotionele gemoedstoestand van de ander. Onderzoek heeft
aangetoond dat beiden een even grote kans hebben psychologische
problemen te ontwikkelen. Volgens mij is het dan ook belangrijk
om gedurende de hypnotherapeutische begeleiding van de mens met
kanker ook de partner te betrekken. De emotionele steun van de partner,
maar ook van familie en vrienden heeft volgens onderzoek een positieve
invloed op de mate van lichamelijke en psychische aanpassing aan
de ziekte.
Het boek geeft aan dat vermoeidheid bij kanker
een probleem is dat pas tamelijk recent aandacht heeft gekregen
en dat er nog maar weinig wetenschappelijk onderzoek naar verricht
is. Er zijn wel inmiddels vragenlijsten ontwikkeld om de ernst van
de vermoeidheid, de concentratie, motivatie en lichamelijke activiteit
te meten. Volgens de schrijvers van het hoofdstuk (G. Bleijenberg
en P. Servaes) lijkt het aannemelijk dat de vermoeidheid geïnitieerd
is door de behandeling, maar dat na verloop van tijd andere factoren
ervoor gaan zorgen dat de klachten blijven bestaan. Er dient
dus onderscheid gemaakt te worden tussen oorzakelijke of initiërende
factoren en huidige, instandhoudende factoren. Dit onderscheid
is eerder van nut gebleken bij onderzoek naar het chronisch vermoeidheidssyndroom.
Welke instandhoudende factoren van belang zijn bij vermoeidheid
na kanker is nog niet met zekerheid te zeggen. Uit eigen onderzoek
melden de schrijvers dat vermoeidheid lang nadat de behandeling
voor kanker beëindigd is, gerelateerd is aan angst, depressiviteit,
te veel of te weinig activiteiten, slaapproblemen en onbegrip van
de omgeving. Op welke wijzen en in welke mate deze factoren een
rol spelen zal de komende jaren worden onderzocht. Ook geven ze
aan dat de gevolgen voor het dagelijks leven groot zijn. Vermoeidheid
beperkt het leven op vele terreinen. In het algemeen kan worden
gezegd dat vermoeidheid gepaard gaat met een lagere kwaliteit van
leven. Ik vind deze stelling een uitdaging om mensen met kanker
met hypnotherapie en gesprekken te stimuleren dat ze ondanks de
ziekte, de angst en alles wat ermee samenhangt, dichter bij zichzelf
kunnen komen en daardoor hun leven meer kwaliteit kunnen geven.
Het boek geeft ook nog antwoord op vele
andere vragen, zoals ontkenning, seksualiteit, depressie, persoonlijkheidsstoornissen
e.d. Het voert te ver om dit allemaal in deze scriptie op te nemen,
maar het is wel duidelijk dat het boek op vele terreinen handvatten
biedt voor therapeuten die werken met mensen met kanker. Het zal
bij mij dan ook een opvallend plekje in de boekenkast krijgen.
Boekbesprekingen
Simonton: "Moed als alternatief"
Simonton: "Op weg naar herstel"
Simonton: "De kracht die in je schuilt"
Leshan: "Een kans op herstel"
Levine: "Bewust leven, bewust sterven"
Maria Hendriks: "Een lichaam van lood, extreme
vermoeidheid na kanker"
Inoudsopgave
|