Moeheid lijkt in epidemiologisch opzicht volksvijand nummer één te zijn

Publicaties tussen mei 2002 en mei 2003

In de tijd tussen het gereedkomen van deel 1 en deel 2 zijn er veel publicaties in krant en vakbladen verschenen over vermoeidheid in het algemeen, chronische vermoeidheid en vermoeidheid bij kanker. Opvallend is dat vermoeidheid in al deze categorieën substantieel is toegenomen. Deze ontwikkelingen kunnen niet los van elkaar gezien worden.

Met dit hoofdstuk wil ik vermoeidheid dan ook in een breder kader plaatsen. Uit bovenstaande artikelen blijkt dat vermoeidheid een thema is geworden van onze maatschappij, waarvan zowel gezonde als zieke mensen deel uitmaken. Het zou mij niets verbazen als de vermoeidheid bij mensen met kanker bestaat uit diverse componenten, waarvan ik al een aantal in het eerste deel van mijn scriptie genoemd heb, maar waar zeker ook dit stuk maatschappelijke vermoeidheid onderdeel van uit kan maken of aan vooraf kan gaan. Dit onderbouwt mijn overtuiging dat hypnotherapie mensen met kanker en vermoeidheid (maar ook mensen met "alleen" vermoeidheid) kan helpen om dichter bij zichzelf te komen en bij datgene wat ze nodig hebben, zodat ze meer inzicht krijgen in de processen die hen vermoeien.

Zonder de pretentie te hebben om compleet te zijn citeer ik hieronder een aantal artikelen.

Ex-kankerpatiënten die jaren na de behandeling ernstig vermoeid blijven zijn vooral aangewezen op zichzelf en hun partner. Dat geldt voor het omgaan met vermoeidheid en voor het leren daarmee om te gaan. Hulpverleners als huisartsen, specialisten, bedrijfs- en keuringsartsen spelen in beide gevallen vrijwel geen rol. Minder dan 15% van de ondervraagde ex-kankerpatiënten wordt begeleid bij die vermoeidheid, meestal door een psychotherapeut. De meeste missen zowel begeleiding van professionals als begrip van mensen in hun omgeving. Dit komt naar voren uit een Nipo-onderzoek onder 254 blijvend vermoeide ex-kankerpatiënten die zijn geënquêteerd drie tot 20 jaar na hun behandeling." (Algemeen Dagblad 24 mei 2002).

"Genezen na kanker, maar toch extreem moe. Dat ervaart 20 tot 40% van de ex-kankerpatiënten. Een medische verklaring is er niet. Kan cognitieve gedragstherapie helpen? De Nijmeegse medisch-psycholoog Gijs Bleijenberg heeft er goede ervaringen mee, maar: "We zijn er nog lang niet".

Wel concludeert hij in dit artikel dat er een heel scala aan determinanten blijkt te bestaan:

  • onvoldoende verwerking van het feit dat je kanker hebt gehad;
  • angst voor recidive;
  • in hoeverre ex kankerpatiënten hun moeheid toeschrijven aan het feit dat ze kanker hebben gehad en hoe hun houding is t.o.v. die klachten. De mate waarin je denkt dat je invloed kunt uitoefenen op je klacht is een belangrijke determinant voor vermoeidheid.
  • sociale steun, vaak is de omgeving alweer overgegaan tot de orde van de dag, waardoor ex-kankerpatiënten minder aandacht en begrip krijgen dan ze verwachten.
  • lichamelijke, mentale en sociale activiteit.

Een ding staat volgens Bleijenberg volstrekt buiten kijf: "dat een patiënt kanker heeft gehad valt nooit uit te vlakken, dat verandert zijn leven, hoe je het ook wendt of keert."
(Medisch Contact, 26 juli 2002)

Onderzoek van de Universiteit van Maastricht " Hartpatiënten hebben vaak baat bij psychotherapie, het is een effectieve manier om een nieuwe hartaanval te voorkomen. Veel patiënten bouwen stress op, die het risico op een nieuwe hartaanval vergroot. Behandelingen die de negatieve gevoelens tegengaan, zijn in veel gevallen effectief, aldus het onderzoek. Patiënten die zich na hun behandeling uitgeput bleven voelen, kregen een vorm van therapie. Bij bijna de helft van de patiënten verminderden de gevoelens van uitputting en daarmee het risico op herhaling van hartziekten." (Haarlems Dagblad, september 2002)

"Introverte mensen hebben een grotere kans om vermoeid te raken dan extraverte. Dit blijkt uit onderzoek naar de invloed van persoonlijkheid op vermoeidheidsverschijnselen. Psychologen van de Universiteit van Tilburg volgden gedurende twee jaar meer dan zevenhonderd werkende mensen." (Algemeen Dagblad, november 2002)

"Moe, moe, moe komt door druk, druk, druk. Moeheid is de meest voorkomende klacht. Het Centraal Bureau voor de Statistiek vroeg het de Nederlanders en 42% van hen verzuchtte: ja, ik had in de afgelopen twee weken last van vermoeidheid" (Trouw, 3 januari 2003)

"In een toespraak tijdens het congres Kanker, groeiende zorg, constateert de internist-oncoloog Alexander de Graeff onder andere dat er te weinig hulpverleners zijn gespecialiseerd in de problematiek van oncologische patiënten. (Algemeen Dagblad, januari 2003)

"De nieuwe hoogleraar vermoeidheid G. Bleijenberg pleit voor erkenning van vermoeidheid bij chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), kankerpatiënten en patiënten met spierziekten." (Volkskrant, 24 januari 2003)

"Als het evenwicht tussen binnen en buiten verstoord raakt en er sprake is van een ernstige ziekte, dwingt het leven ons om pas op de plaats te maken en waar te nemen wat er zich onder de oppervlakte van onze eigen ziel afspeelt. Opeens vallen de buitenste laagjes weg en kunnen we niet anders dan eerlijk zijn…Voor de omgeving is het belangrijk om voor ogen te houden dat iemand die ziek is een innerlijke kracht binnen in zich draagt, waarop hij kan worden aangesproken. Als je je als mens werkelijk gezien voelt draagt dat bij aan herstel of aan het vergroten van je draagkracht onder moeilijke omstandigheden. Helaas zijn medische onderzoeken soms zo technisch en is men in een ziekenhuis vaak vooral gericht op efficiency, dat er weinig aandacht meer is voor de mens achter de ziekte. (M. Bottenberg en P. Sluis, Weleda Berichten, voorjaar 2003)

Tweede Nationale Studie van Ziekten en Verrichtingen in de Huisartspraktijk 2000/2002, onderdeel vermoeidheid (artikel "vermoeider dan ooit" van prof.dr. J.M. Bensing en mr.dr. H. van Lindert in Medisch Contact 4 april 2003):
In deze studie is met dezelfde methodologie dezelfde vraag naar vermoeidheid gesteld als in de Eerste Nationale Studie. Dit is een goed uitgangspunt voor historische vergelijking. De cijfers laten zien dat de afgelopen vijftien jaar een sterke toename heeft plaatsgevonden van vermoeidheidsklachten, zowel bij mannen als bij vrouwen van alle leeftijden en alle opleidingsniveaus . Ook blijkt dat moeheid vaak samengaat met een algemeen slechtere gezondheid. De cijfers uit dit onderzoek komen sterk overeen met de cijfers over vermoeidheidsklachten die het CBS onlangs publiceerde. Moeheid lijkt volgens het artikel in epidemiologisch opzicht volksvijand nummer één te zijn. Vooral de jonge leeftijd waarop vermoeidheidsklachten zich presenteren is een punt van zorg. Vermoeidheid blijkt te ontstaan door moeilijke externe omstandigheden, arbeidsongeschiktheid, zorg voor kleine kinderen in combinatie met betaald werk, maar ook het leven in een sterk stedelijke omgeving en het ontbreken van sociale steun. De schrijvers concluderen dat de samenleving steeds hogere eisen stelt en mensen steeds meer willen voldoen aan het ideaalbeeld dat de samenleving heeft gecreëerd van een goed en productief leven. Ook stellen ze dat recente studies hebben aangetoond dat veel (maar niet alle) patiënten die lijden aan langdurige vermoeidheidsproblemen baat hebben bij cognitieve gedragstherapie.

Inhoudsopgave