Toetsing deel II (praktijk) aan deel I (theorie)
Hoofdstuk 1b
In hoofdstuk 1b (pagina 4) zeg ik aan te willen
tonen dat beïnvloeding van geestelijke factoren door middel
van hypnotherapie de mens met kanker kan helpen de ziekte te accepteren,
dan wel een deel van de vermoeidheid weg te nemen, waardoor deze
beter te hanteren valt en dat dichter bij je zelf komen energie
geeft.
Bij één ernstig zieke cliënt was duidelijk dat
acceptatie van haar ziekte haar meer rust gaf. Drie cliënten
ervoeren meer kwaliteit van leven door dichter bij zichzelf te komen
(respectievelijk: de verhouding tot en het energetisch losmaken
van een moeder, het zich bewust worden van eigen hulpbronnen, het
durven stellen van grenzen). De sessies met de vijfde cliënt
zijn nog niet afgerond.
Hoofdstuk 2
Onder punt 2a citeer ik Simonton, die zegt dat
kanker voor een deel wordt bepaald door de tijd en de cultuur waarin
we leven. Een van de kernthema's bij kanker is controle. (Dit citaat
kan mijns inziens ook vertaald worden naar het thema van vermoeidheid
in de maatschappij (hoofdstuk 5). Opvallend is dat controle ook
een sterk thema is van mijn cliënten (zie boven). Deze controle
maakt het des te noodzakelijker dat er een goed rapport (goede afstemming)
is met de cliënt.
Onder punt 2b noem ik de drie eigenschappen die
Simonton signaleert, die mensen vatbaar kunnen maken voor kanker.
Alle drie eigenschappen herken ik bij mijn cliënten. Ze hebben
alle vijf te maken (gehad) met stress, ze kunnen zich moeilijk emotioneel
uiten en vier van de vijf hebben problemen in de verhouding met
hun ouder(s).
Onder punt 2c citeer ik Simonton, die als doelstelling
heeft mensen te stimuleren op hun eigen innerlijke en uiterlijke
wijsheid te vertrouwen. Ook met betrekking tot deze doelstelling
hebben de sessies bij alle cliënten hun uitwerking gehad.
Onder punt 2d citeer ik LeShan. Uit de ervaring
met mijn cliënten kan ik zijn stellingen alleen maar beamen
en ik heb er zeker aspecten van gezien in de sessies. Ik zou zijn
ideeën graag meer in mijn sessies hebben meegenomen, maar mijn
ervaring is dat vijf sessies hiervoor te weinig zijn.
Bij 2 e spreekt Levine over communiceren van
hart tot hart, zonder de ander te willen veranderen. Omdat dit me
erg aanspreekt vormt dit voor mij de leidraad en de basishouding
voor mijn therapeutschap. Ik heb getracht hier zoveel mogelijk naar
te handelen.
Onder punt 2g spreek ik naar aanleiding van een
hoofdstuk van G. Jonker-Pool en een artikel uit Medisch Contact
over de behoefte om contact maken met existentiële vragen.
Hieraan is in de gesprekken en sessies aandacht besteed, maar ook
hier had ik graag meer tijd voor gehad. Wel wijs ik op het versterken
van de innerlijke wijsheid bij een cliënt, het "echt willen
zijn" van een ander en op de resultaten van de kerntransformatie
(vrijheid) bij twee cliënten.
Bovendien is het spreken over en het aanboren
van eigen hulpbronnen ook een stuk transformatie.
De schrijvers van het onder 2g geciteerde boek
stellen dat vermoeidheid gepaard gaat met een lagere kwaliteit van
leven. Vier van de vijf cliënten ervaarden na de sessies een
hogere kwaliteit van leven. De sessies met de vijfde cliënt
zijn nog niet afgerond.
Hoofdstuk 3
Punt 3a. Alle cliënten vertonen aspecten
van moeten voldoen aan verwachtingen van anderen, iemand proberen
te zijn die je in wezen niet bent, het niet kunnen uiten van gevoelens.
Aan deze aspecten hebben we tijdens de sessies gewerkt.
Ook hebben alle cliënten bevestigd dat de confrontatie met
kanker een traumatische ervaring was.
Punt 3b. Schuldgevoel blijkt bij alle cliënten
in meer of mindere mate voor te komen. Duidelijk werd dat schuldgevoel
energie kost. Dit was een aandachtspunt tijdens gesprekken en sessies.
Punt 3c. Ik heb inderdaad de vragen van de intake
niet letterlijk gesteld. Ik volgde meestal de lijn van het gesprek,
maar kon dankzij deze lijst wel in de gaten houden of alle aspecten
aan de orde kwamen.
Punt 3d. De interventiestrategieën m.b.t.
vermoeidheid heb ik slechts zijdelings toegepast, omdat vier van
de vijf cliënten hier via het ziekenhuis al mee bezig waren
geweest en één cliënt terminaal was.
Punt 3 e. Ik heb tweemaal kerntransformatie toegepast.
Deze techniek bleek inderdaad zeer geschikt om de cliënt in
aanraking te brengen met zijn eigen (spirituele) ervaring van (in
deze gevallen) vrijheid en energie.
Punt 3f. Ik heb in de gesprekken meerdere keren
gewerkt met metaforen (zoals de muur), die naar voren kwamen naar
aanleiding van ervaringen van de cliënt. Dit veroorzaakte de
meeste keren herkenning en een stukje inzicht.
Punt 3g. Al na de eerste contacten met de lotgenootgroepen
besloot ik EMDR als techniek in het kader van deze scriptie te laten
vallen. EMDR is een vrij heftige associatieve techniek, die veel
los kan maken. Gezien de kwetsbaarheid van mensen die met kanker
geconfronteerd zijn koos ik voor "zachtere" technieken.
Hoofdstuk 4
Ik kan van harte de conclusie uit het eerste
deel onderschrijven dat hypnotherapie de kwaliteit van leven kan
verbeteren door aandacht te besteden aan lichaam, hart en ziel.
Het blijkt dat geen van de drie aspecten hierbij vergeten kan worden.
Uit de evaluatie met de cliënten blijkt dat de vier cliënten
bij wie de sessies zijn afgerond meer kwaliteit van leven ervaren
(zelfs degene die twee maanden na de sessies overleed).
Het rapport met de cliënt is inderdaad
heel belangrijk. Daardoor ontstaat een sfeer van vertrouwen en openheid
waarin de cliënt kan uiten wat voor hem/haar belangrijk is.
Dit heeft mij er toe aangezet te blijven bij mijn constatering in
de conclusies van deel 1 dat de cliënt aangeeft wat belangrijk
is en dat een strak behandelplan alleen maar remmend werkt. Een
luisterend oor, een goed rapport (afstemming) en gesprekken vormen
een zeer belangrijk deel van de begeleiding. Ik kan nu uit ervaring
zeggen dat de combinatie hiervan met hypnotherapie zeer bijzonder
is en de mensen inderdaad de eigen bouwstenen in handen geeft om
het huis van hun leven weer op te bouwen.
Conclusies
Algemeen
Inhoudsopgave
|